Geschiedenis en historie cementtegels

 

Back in the days Portugese tegels maken

Geschiedenis en historie van de oude antieke cementtegels

Oude bouwmaterialen zijn al jaren aan een opmars bezig. Oude en antieke tegels vinden hun weg naar een nieuwe bestemming. Hieronder volgt  een korte omschrijving van de productie van de oude en antieke cementtegels van toen.

De gegoten en droog geperste oude en antieke vloertegels

Naast de keramische vloertegels ontwikkelde men ook de ingelegde gekleurde cementtegels. Mede door hun gunstige prijs-kwaliteit verhouding werden deze cementtegels ook internationaal een veelgevraagd Belgisch product.De eerste cementtegels werden omstreeks 1840 in Gent gemaakt. Daarbij maakte men in het begin gebruik van een houten mal waarin het gekleurde cement werd gegoten. Deze eerste vloertegels bestonden uit 1 kleur. Cementtegels maken met een patroon erin was immers veel te duur door het arbeidsintensieve proces. Pas later ,door de invoering van bv mechanische en hydraulische persen ,was men in staat om cementtegels te produceren die er niet alleen mooi uitzagen, maar ook konden concurreren met de  keramische tegels of met oude mozaïekvloeren.

antieke cementtegels colozier

 

Opgericht in 1848 behoorde het Manufacture de Carrelage T.Picha & Cie te Gent tot de eerste cementtegel fabriek die volgens een eigen proces startte met de fabricage van eenvoudige gegoten oude antieke cementtegels. De doorbraak in de productie van antieke cementtegels kwam echter van de fabriek Les Usines a carreaux en ciment Fieve & Cruls.Opgericht in 1871 te Gent, vervaardigde deze cementtegel fabriek als eerste Belgische fabriek drooggeperste oude en antieke cementtegels die als eerste konden wedijveren met de oude en antieke keramische vloertegels. Natuurlijk werd de concurrentie groot op de markt voor de productie van deze antieke cementtegels, vandaar dat er nog vele cementtegel fabrieken hun deuren zouden openen. Voorbeelden van deze antieke cementtegel fabrieken zijn oa: antieke cementtegel fabriek  Fabrique de carreaux en ciment Dutry-Massy, antieke cementtegel fabriek Fabrique de dalles en ciment unis a incrustations Ch. Eggermont et soeur  en de antieke cementtegels fabrieken van Leon de Smet en Van Overstraeten & Cie. Ontstaan vanuit Gent zouden dus later in heel België oude en antieke cementtegels worden gefabriceerd.

Oude en antieke cementtegels waren antieke vloertegels die over het algemeen minder slijtvast waren dan de antieke keramische tegels, maar ze waren wel minder prijzig en moeilijk van elkaar te onderscheiden. De motieven van deze antieke tegels liepen vaak gelijk. Antieke motief tegels in al hun vormen en patronen werden zowel uitgevoerd in antieke cementtegels als antieke keramische tegels. Het was dan ook voor een leek moeilijk om deze twee typen oude en antieke tegels van elkaar te onderscheiden. Daarom namen handelaren in deze oude en antieke bouwmaterialen vaak beide soorten antieke tegels in hun assortiment op. Men onderscheidde bijvoorbeeld verschillende motieven: antieke Jugendstil cementtegels,oude art nouveau cementtegels en antieke art deco cementtegels.

Nagenoeg alle cementtegel fabrieken exporteerden een groot deel van hun voorraden oude en antieke cementtegels. Deze oude cementtegels werden niet alleen naar de buurlanden uitgevoerd: Nederland, Frankrijk,Duitsland. Antieke cementtegels werden zowat over de gehele wereld verspreid. Vandaag de dag komt FLOORZ deze antieke cementtegels, tijdens haar zoektochten door België en Frankrijk, nog steeds tegen in bijvoorbeeld musea,restaurants,bakkerijen en bibliotheken.

Uit bovenstaand verhaal valt af te leiden dat de productie van oude en antieke cementtegels in België na ongeveer 1880 tot grote bloei kwam. Dat kon slechts mogelijk zijn tijdens economische gunstige omstandigheden. De productie van oude en antieke cementtegels was immers een kostbare aangelegenheid. Een gemiddelde werknemer produceerde per dag ongeveer 4 vierkante meter aan oude en antieke cementtegels. Het is dan ook niet gek dat FLOORZ  deze oude tegels vaak recupereert uit woonhuizen van de gegoede middenklasse of gebouwen waarin het gebruik van deze oude,antieke tegels een meerwaarde bood. Bijvoorbeeld een hygiënische meerwaarde; deze oude motief tegels waren niet alleen mooi als decoratie, maar ook bijzonder praktisch in bijvoorbeeld bakkerijen,viswinkels,restaurants en dergelijke.

Ook opvallend is het dat de producenten van deze oude en antieke vloertegels de meeste diverse stijlen in hun catalogi aanboden. Zowel antieke Jugendstil tegels of oude art nouveau tegels, alsmede antieke art deco tegels werden tegelijkertijd aangeboden. Commercieel gezien natuurlijk een slim standpunt. Voor het ontwerpen van deze antieke motief tegels hadden de producenten de beschikking over eigen decoratieateliers. Ook werden extern ontwerpers aangetrokken zoals schilders of beeldhouwers om deze antieke tegels van hun motieven te voorzien.

Meer informatie over antieke tegels:

Wilt u een idee krijgen hoe deze antieke tegels zijn vervaardigd, brengt u dan eens een bezoekje aan het bedrijf Impermo in Sint-Truiden. De huidige functie is een groothandel in vloer – en wandtegels , maar vroeger werden hier  jaren 30 tegels vervaardigd.Dit bedrijf was gespecialiseerd in de productie van de antieke cementtegel.

Vlak na de Eerste Wereldoorlog begon Ferdinand Stultjens met de productie van cementtegels. Hij kocht een tweedehands tegelpers omdat hij dacht dat de vraag naar oude bouwmaterialen toe zou nemen na het beëindigen van de oorlog. Ferdinand overleed echter kort nadat de fabricage van deze antieke cementtegels goed en wel op gang was gekomen. Zijn 4 zonen namen nu de productie van deze cementtegels voor hun rekening. De visie van de stichter bleek een goede te zijn. Cementtegels werden een veelgevraagd product en voortdurend werden er nieuwe machines aangekocht om zo de productie van de cementtegels uit te breiden. Impermo was een van de eerste Belgische bedrijven die is begonnen met de grootschalige productie van cementtegels met marmerkorrel. Vanaf 1931 zou Impermo als eerste in België starten met het verwerken van witte cement in hun cementtegels.In 1932 legde een brand de productie van de antieke cementtegels tijdelijk stil, maar al spoedig volgde de wederopbouw waardoor de productie van de antieke cementtegels weer op gang kwam. Tijdens de oorlogsjaren kwam de verkoop van de antieke cementtegels op een laag pitje te staan.De bloeiperiode voor de cementtegels lag dan ook tussen 1950 en 1970. Daarna werden deze antieke cementtegels veel gebruikt voor garage- en keldervloeren. In 1990 valt dan ook het doek wat betreft de fabricage van de cementtegels. De familie Stultjens is nog steeds eigenaar van de voormalige cementtegel fabriek en heeft gewerkt aan het opzetten van een klein cementtegel museum.Aan de hand van antieke cementtegels,oude cementtegel persen, catalogi van deze antieke vloertegels, foto’s enzovoorts., komt een stukje geschiedenis van de productie van antieke cementtegels weer een beetje tot leven.

Mario Baeck
Cementtegels: een verkenning

Tot de Tweede Wereldoorlog was de ingelegde cementtegel door zijn gunstige prijs-kwaliteit-verhouding, in veel Europese landen een veelgevraagd product. Smaakveranderingen en vooral ook economische motieven leidden tot de vrijwel volledige teloorgang van deze eens zeer bloeiende industrietak, die in het midden van de negentiende eeuw ontstond. Tegenwoordig krijgt dit lang verwaarloosde bouwmateriaal – zowel bij monumentenzorgers, restauratiearchitecten als opdrachtgevers – stilaan weer de aandacht die het verdient.

Cement

Als bindmiddel is cement (uit het Latijn caementum = gehouwen steen, puin), net als de nog vroeger ontdekte kalkmortels, reeds vanuit de klassieke oudheid bekend. Vitruvius merkte in de eerste eeuw voor Christus reeds op dat een mengsel van vette kalk met vulkanisch materiaal uit de flanken van de Vesuvius door toevoeging van water snel tot een sterke mortel verhardde.

Een gedeeltelijke wetenschappelijke verklaring voor de hydraulische verharding van mortels werd echter pas in 1756 gevonden door de Engelse ingenieur John A. Smeaton (1724-1792) bij zijn proefnemingen voor de herbouw van de Eddystone-vuurtoren voor de kust van Devon bij Plymouth. De kennis hierover werd vervolgens verfijnd door de Franse ingenieur Louis Joseph Vicat (1786-1861), die er in 1817 in slaagde de samenstellingsverhoudingen voor hydraulische kalk tegenover die van cement af te lijnen, en bijna gelijktijdig ook door de Duitse hoogleraar chemie dr. Johan Friedrich John (1782-1847) in zijn studie Ueber Kalk und Mörtel uit 1818.

De beginnende cementindustrie

Een eerste industriële toepassing kwam er in 1796, toen de Engelsman James Parker uit Northfleet in Kent een natuurlijk hydraulisch cement patenteerde onder de naam ‘Roman cement’. Het snelbindende materiaal werd kort daarna onder de naam Parker-cement door Wyatt, Parker and Co in Londen gecommercialiseerd. Hoewel men er in het Franse Boulogne-sur-Mer reeds in 1802 in slaagde dit Parker-cement na te maken, slaagde men er door een gebrek aan voldoende grondstoffen niet in dit product

illustratie

1. Werkplaats van de cementtegelfabriek De Clercq in Brugge
(collectie M. Baeck)

op een brede basis te commercialiseren.

Men bleef op het Europese continent aanvankelijk dan ook vooral hydraulische kalk gebruiken.

In Engeland zelf leidde het grote succes van dit Parker-cement vrij snel tot een nieuwe ontdekking, die dit natuurlijke cement verdrong. Op 21 oktober 1824 kreeg Joseph Aspdin (1778-1855) uit Leeds octrooi op het eerste kunstmatige cement als ‘An improvement in the modes of producing an artificial stone’ onder de benaming portlandcement, omdat het gebrande mengsel van gebluste kalk en klei in kleur gelijk was aan de zandsteen van het Isle of Portland in Dorset. Dit product werd onmiddellijk gecommercialiseerd, maar brak pas vanaf 1844 voorgoed door, nadat de samenstelling door chemische analyses van de fabrikant Isaac Charles Johnson (1811-1911) en de vooraanstaande hoogleraar scheikunde dr. Andrew Ure (1778-1857) vast was komen te staan. Vanaf toen werd de Europese markt voor een decennium haast volledig door Engelse cementfabrieken gedomineerd.

De kwaliteit van het portlandcement was namelijk zeer stabiel, terwijl die van het goedkopere natuurcement sterk afhankelijk was van de wisselende samenstelling van de natuurlijke kalkgesteenten uit de steengroeven.

Op het Europese continent werd eveneens met succes verder geëxperimenteerd. Zo kwam in

[p. 264]

illustratie

2. Handtegelpers voor cementtegels van de Duitse firma Bernhardi (collectie H. Nijenhuis)

Frankrijk onder impuls van Charles Demarle en Emile Dupont in de streek van Boulogne-sur-Mer vanaf 1846 een belangrijke cementindustrie tot stand, met vanaf 1855 voor het eerst in Frankrijk ook productie van portlandcement. Eveneens in 1855 leidde in Duitsland het onderzoek van dr. Hermann Bleibtreu (1824-1881) tot de oprichting van de eerste Duitse portlandcementfabriek, de Stettiner Portlandzementfabrik in Züllchow bij Stettin, in samenwerking met consul Guticke. Op dat ogenblik was de cementproductie de kinderschoenen duidelijk ontgroeid. Op de wereldtentoonstelling van 1855 in Parijs konden dan ook reeds 92 exposanten – waaronder 47 uit Frankrijk zelf – in de afdeling Matériaux Artificiels hun eigen kalk- en cementproducten en toepassingen aan het publiek voorstellen. In de jaren die volgden, ontwikkelde de cementindustrie zich ook in de meeste andere Europese landen. In Nederland startte de eigen productie van portlandcement, zij het zeer moeizaam, rond 1870 in de experimentele fabriek van de houthandelaar Ellerius Harmannus Roggenkamp te Delfzijl.

Cementtegels

Tegelijk met de ontwikkeling van de cementnijverheid werd, zowel door cementfabrikanten als door onafhankelijke ondernemingen, geëxperimenteerd met nieuwe toepassingsvormen voor cement. Al snel slaagde men er in een grote verscheidenheid aan producten in het nieuwe materiaal aan te bieden. Naast bouwornamenten – zoals plinten, lijsten, kolommen, pilasters, sluitstenen, consoles, balustraden en waterspuwers – en lossere voorwerpen – zoals vazen, beelden en fonteinen – werden er ook vloer- en trottoirtegels aangeboden. In 1807 publiceerde M. Fleuret, professeur d’architecture de l’Ecole Royale Militaire de Paris, zijn standaardwerk L’Art de composer des pierres factices aussi dures que le caillou(Pont à Mousson, 1807), waarin hij de productie van vloertegels van gekleurd beton in zwart, blauwgrijs, bruin, wit, rood en geel beschreef. En in 1828 werd in de Encyclopédie populaire ou les sciences et les arts et les métiers mis à la portée de toutes les classes een eenvoudig precedé voor de productie van cementtegels beschreven.

In Londen slaagde de Engelse ondernemer J.M. Blashfield er in 1836 in om versierde vloeren te produceren door marmer en steen met gekleurd Parker-cement te combineren. Hij zette daarmee de experimenten voort van zijn zakenpartner Charles Wyatt, die al lang voor hun samenwerking in het bezit was van een patent ‘for a mode of imitating tessellated pavements, by inlaying stone with coloured cements’. Zelf ontwikkelde hij nog, in samenwerking met Herbert Minton en Owen Jones, mozaïekvloeren op basis van kleine, drooggeperste tesserae (mozaïeksteentjes), gezet in ‘Roman cement’, zoals de vloer van het London Coffee House,

[p. 265]

illustratie

3. Een vormbank met mallen, vormroosters en kleursjablonen voor de handmatige productie van ingelegde gefigureerde tegels, ontwikkeld door de Duitse firma Carius
(collectie M. Baeck)

Ludgate Hill, uit 1841. Daarmee is hij voorlopig een van de vroegst bekende producenten van diverse soorten cementtegels. Ontevredenheid met het resultaat van de door hem ontwikkelde experimentele procedés op basis van cement, bracht Blashfield er echter uiteindelijk toe om dit spoor te verlaten en volop Herbert Minton te ondersteunen bij de productie en commercialisering van keramische tegels volgens het patent van Prosser.

In de daaropvolgende decennia kende de gedecoreerde vloertegel op basis van cement duidelijk een snelle ontwikkeling. Was op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1867 de Usine Lafarge nog vrijwel de enige fabrikant die veelkleurige cementmozaïektegels tentoonstelde, elf jaar later, op de wereldtentoonstelling van 1878, eveneens te Parijs, was het aanbod daarvan algemeen geworden. Het gelijktijdige succes dat de gedecoreerde keramische vloertegel tijdens deze wereldtentoonstellingen kreeg, is hieraan wellicht niet vreemd. Ook het feit dat in de negentiende eeuw een groot aantal nieuwe gebouwtypes – zoals stations, hotels, stadhuizen, bibliotheken, musea, scholen, openbare baden en toiletten, ziekenhuizen en theaters – ontworpen diende te worden, was hierbij zonder enige twijfel van invloed.

Dergelijke gebouwen waren immers meestal openbaar toegankelijk en vroegen daarom om nieuwe, gestandaardiseerde, duurzame en vooral ook gemakkelijk te onderhouden bouwmaterialen.

Eisen waarop zowel de cementtegelnijverheid als de keramische industrie, dankzij steeds efficiënter wordende productiemethoden, perfect inspeelde (afb.1, 3).

De Nederlandse cementtegel

In Nederland kwam de productie van diverse cementwaren vrij vroeg op gang, onder meer bij Lindo in Delfshaven vanaf 1855. De Nederlandsche Kunstzandsteenfabriek tussen Velsen en IJmuiden, opgericht in 1877, produceerde naast diverse andere ornamenten met zekerheid ook vloer- en trottoirtegels en mozaïekvloeren en gebruikte daarvoor vermoedelijk portlandcement van Stern uit Stettin.

Ook de N.V. Oosthoek & Zoon, sinds 1823 in Den Haag gevestigd en met een fabriek te Alphen aan den Rijn, bood diverse soorten vloertegels aan, waaronder deels uit België geïmporteerde ‘dubbelhardgebakken tegels, gepatroneerde ceramiektegels, cementtegels, enz.’ (afb. 9). Uit enkele adresboeken en vooral ook uit de import- en exportgegevens voor cement- en betontegels blijkt duidelijk dat Nederland tot 1929 hoofdzakelijk op de invoer van deze producten was gericht en nauwelijks zelf uitvoerde.

De evolutie van de cementtegel

De eerste cementtegels waren uitsluitend éénkleurig. Tegels met een bepaald patroon vergden immers te veel duur handwerk. Pas door de invoering van de schroefpersen, de mechanische persen en later de hydraulische persen was de cementtegelindustrie in staat om tegels te produceren die zowel esthetisch als kwalitatief met keramische tegels en met mozaïekvloeren konden rivaliseren (afb. 2).

Na de éénkleurige cementtegels werden – zoals men uit de bewaard gebleven verkoopcatalogi kan afleiden – tegels met eenvoudig te produceren maar toch ingenieuze patronen aangeboden. Het merendeel was geometrisch van aard en opgebouwd uit rechthoeken, vierkanten, driehoeken, ruiten, veelhoeken en cirkels. De ontwerpers bereikten er vaak een opvallend effect mee, en ongetwijfeld waren deze vloeren ook zeer succesvol. Dergelijke geometrische patronen bleven immers bijna een eeuw lang in de catalogi opgenomen. Wat de kleuren betreft, overheersten de zwart-witte en zwart-grijs-witte tegels daarbij aanvankelijk de duurdere meerkleurige tegels.

Tegels met bloemmotieven, eerst eveneens eenvoudig van ontwerp, werden in de beginperiode zowel om technische redenen als wegens de kostprijs slechts sporadisch aangeboden. Het aanbod werd zeker in de laatste decennia van de negentiende eeuw geleidelijk verruimd met veelkleurige en drukkere motieven, die prachtige tegeltapijten vormden. Wat stijl betreft, evolueerden neo-gotische en neo-renaissance-motieven (afb. 4, 5) tot uitgesproken art nouveau-ontwerpen en na de Eerste Wereldoorlog uiteindelijk tot soberdere art deco-toepassingen (afb. 6, 7).

Hoewel cementtegels over het algemeen iets minder slijtvast waren dan keramische tegels, waren ze niet alleen veel minder duur, maar ook voor leken slechts moeilijk van elkaar te onderscheiden. Het is dan ook geen toeval dat de vele handelaars in bouwmaterialen beide tegelsoorten in hun aanbod opnamen. Bij het economische herstel vanaf 1896 kwam de cementtegelnijverheid, net als zijn tegenhanger de keramische tegelindustrie, tot grote bloei. Wel veroorzaakte de Eerste Wereldoorlog in heel wat landen, en ook in deze sector, een duidelijke cesuur. Pas na de wapenstilstand van november 1918 kwam de productie opnieuw op kracht. Door de stijging van de grondstofprijzen en de arbeidslonen kende de

[p. 267]

illustratie

4. Cementtegelpatronen in neostijlen en eenvoudige, eenkleurige patronen uit het aanbod van de S.A. des Carrelages du Hainaut – Marchiennes-au-Pont (collectie M. Baeck)

tegelindustrie in de jaren 1920 echter een lichte economische terugval. Maar de gelijktijdige spectaculaire prijsstijging in de sector van de keramische tegels was voor de producenten van cementtegels gunstig. Hun producten werden hierdoor gemiddeld bijna 3, 5 maal goedkoper. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de druk gefigureerde tegel, net als bij de keramische vloeren wandtegels, ook bij de meeste fabrikanten van cementtegels nagenoeg volledig uit de verkoop-

illustratie

5. Neogotische cementtegelpatronen uit het aanbod van Picha Gent, een van de oudste Belgische fabrieken (collectie M. Baeck)

illustratie

6. Vloertegeltapijten uit de jaren 1930, met geometrische motieven
(collectie M. Baeck)

catalogi (afb. 8). Vloertapijten en andere vloerbedekkingen als linoleum en marmoleum, die toen snel aan populariteit wonnen, waren haast zonder uitzondering strakker van ontwerp en kleurstelling. Daarmee kwam een eind aan de bloeitijd van de gefigureerde vloertegel. Het aanbod van de nog bestaande cementtegelfabrieken is sindsdien volledig veranderd, de productiemethodes zijn gemoderniseerd en de vroegere machines en mallen zijn nagenoeg verdwenen. Ze werden uit plaatsgebrek opgeruimd en voor de metaalprijs verkocht en hersmolten. Enkel in diverse lagelonenlanden bleef de techniek van de ingelegde cementtegel tot op vandaag behouden.

Productiewijze en soorten tegels

In de handel werden zeer diverse soorten cementtegels aangeboden. In de vakliteratuur onderscheidde men hierbij al naar gelang het gebruik en de samenstelling verschillende types en soorten. Voor buitengebruik werden meestal betontegels met een geribd oppervlak gebruikt, bestaande uit een

illustratie

7. Moderne motieven en gevlamde tegels uit de jaren 1930 (collectie M. Baeck)

mengsel van portlandcement, zand en grind. Dit laatste kon vervangen worden door een ander steengruis, zoals basalt voor basaltinetegels, porfier of Quenaststeen voor Quenasttegels, graniet of marmerafval voor granitotegels en marmer voor terrazzotegels. De beide laatste termen worden doorgaans als synoniemen gebruikt. Het verwerken van ijzervijlsel in de bovenlaag deed pantserbeton- of Stelcon-tegels ontstaan.

De eigenlijke cementtegels werden voor binnengebruik gereserveerd en meestal als parkettegels, dat is meerkleurig, uitgevoerd. Bij deze ingelegde en gefigureerde tegels bestaat de bovenste dunne laag of slijtlaag uit met kleurstoffen gemengde fijne cement, de onderste dikke laag of grondlaag uit zand en cement. Dergelijke meerkleurige tegels werden ofwel gegoten of – voor een betere kwaliteit – met een hydraulische pers machinaal geperst uit een mengsel van cement en kleurstof, marmergruis of steenmeel. Daarbij werden ze, net als drooggeperste

keramische vloertegels, in de slijt- of opperlaag door middel van ramen, sjablonen en roosters meestal van sierlijke decoraties voorzien (afb. 3). Zo’n 24 tot 48 uur na het persen werden de tegels gedurende maximaal twee uur onder water gehouden en daarna voor langere tijd in magazijnen gelegd om langzaam uit te harden.

De moeilijkheid bestond erin de beide lagen – de grovere onderlaag en de fijne, dunne bovenlaag – een perfecte onderlinge hechting te geven. Lukte dit niet, dan konden de capillaire haarscheurtjes zich tot weinig esthetische barsten verbreden.

Bij de droogperstechniek werd eerst een druk van 50 tot 60 kg per cm2uitgeoefend en die werd vervolgens tot 150 kg per cm2 opgevoerd om de vrij grote hoeveelheid lucht in de cementmassa zo veel mogelijk te laten ontsnappen. Zo werden het kromtrekken en barsten van de tegels voorkomen. Bij de gegoten tegels was de samenstellingsverhouding van het cementmengsel met 500 kg portlandcement, of 300 kg cement en 200 kg kalk, op 1 m3 zand, wat rijker dan bij drooggeperste tegels. Ook bij deze productievorm werden de tegels geperst, maar wel slechts met een druk van maximaal 30 tot 50 kg per cm2. De slijtlaag bestond bij beide types tegels doorgaans uit zuivere cement, al werd soms gewerkt met mengingen van twee tot vier volumes cement tegenover één volume fijn zand. De benodigde kleuren werden gerealiseerd door toevoeging van minerale stoffen. Elke kleurmenging had lichtjes verschillende eigenschappen op het gebied van kleur- en slijtvastheid. Verder diende men bij de kleurdosering terdege rekening te houden met het verbleken van de kleuren bij het uitharden van de cement. De vorming van storende sluiervorming en oppervlaktevlekken door oplossing van kalkzouten werd na plaatsing van de tegelvloer als een normaal verschijnsel omschreven, dat na de eerste reinigingsbeurt verdween om daarna opnieuw te verschijnen en vervolgens na vier tot vijf maanden definitief te verdwijnen.

Naast deze ingelegde en gefigureerde cementtegels waren ook de granito- en terrazzotegels populair. Hiervoor werden op een circa 2 cm dikke laag van cementspecie terrazzokorrels uit graniet of marmer gestrooid, zodat de specie nauwelijks nog zichtbaar was. De stukjes werden zo nodig ingewalst. Nadat het geheel voldoende was verhard, werden de tegels stuk voor stuk eerst vlak geslepen en daarna gepolijst. Gebruikte men evenwel marmerkorrels van 8 tot 25 mm dan sprak men soms over marmermozaïektegels. Indien de gebruikte korrels voldoende klein waren, was het hierbij eveneens mogelijk de tegels te voorzien van een regelmatig patroon. Dergelijke tegels zijn ook vandaag nog in de handel.

illustratie

8. Sobere gevlamde cementtegels en marmeragglomeraattegels uit de periode na de Tweede Wereldoorlog (collectie M. Baeck)

illustratie

9. N.V. Oosthoek & Zoon uit Alphen aan den Rijn was naast een belangrijk importeur van keramische tegels ook fabrikant van cementtegels (collectie M. Baeck)

Onderhoud en restauratie

De nodige toelichtingen voor plaatsing en onderhoud van dergelijke tegelvloeren zijn vandaag vrij gemakkelijk terug te vinden, zowel in toelichtingen van de toenmalige tegelproducenten, als in de gespecialiseerde contemporaine handboeken. De belangrijkste aanbevelingen voor reiniging van pas gelegde of sterk vervuilde vloeren zijn daarbij: geen chemische poeders of zuren gebruiken, maar grondig schuren met nat, fijn, wit zand of puimsteenpoeder, en naschuren met een oplossing van witte of Marseillezeep – een zeep op basis van plantaardige oliën – die, om kalkaanslag te vermijden, in koud regenwater of zacht water is opgelost. Verdere reiniging gebeurt het best met gelijkaardige koude zeepwateroplossingen, eventueel aangelengd met lijnolie in de verhouding van één soeplepel per halve emmer water. De oplossing laat men het best even intrekken. Daarna aftrekken en droogdweilen en zo nodig verder droogwrijven met een doek. Overvloedig naspoelen met water dient vermeden te worden.

Dit is normaal gezien het perfecte onderhoud voor fijne cementtegels, die daarmee verder uitharden én gaan glanzen. Enkel grovere cementtegels – bijvoorbeeld die met marmerkorrels – kunnen wel met boenwas ingewreven worden. In dat geval dient enkel witte boenwas en niet de courante gele of donker getinte was gebruikt te worden.

Diverse gespecialiseerde handelaars houden tegenwoordig bij sloop gerecupereerde gefigureerde cementtegels in voorraad. Voor sommige restauraties kan men hiervan gebruikmaken om zwaar beschadigde of grotendeels verdwenen vloeren te vervangen. Voor aanvulling van een partij tegels in een specifiek patroon is het, gezien het enorm gediversifieerde aanbod uit het verleden, vaak onmogelijk om binnen een haalbare periode bijpassende recuperatietegels te vinden. Daarvoor kan men wel beroep doen op enkele gespecialiseerde producenten. Naast hun huidige standaardaanbod maken zij op aanvraag vrijwel elk gewenst motief in het gewenste formaat tegen een vrij haalbare prijs.

Literatuur

Baeck, M. & B. Verbrugge, De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels 1880-1940, Brussel 1996 (M&L-cahier, 3).
Baeck, M., U. Hamburg, J. Kamermans e.a., Industrial Tiles. Industrielle Fliesen. Industriële Tegels. Carreaux Industriels 1840-1940, Boizenburg, Hasselt, Otterlo 2004.
Baeck, M., ‘Cement tiles: an exploration’, Journal of the Tiles & Architectural Ceramics Society, Volume 12, 2006, pp. 20-30.
Baeck, M. en H. Lejon, ‘De vloertegelfabriek Emmanuel Rottiers te Tisselt-Willebroek in de context van de Belgische cementtegelindustrie’, M&L Monumenten en landschappen: tweemaandelijks tijdschrift, jrg. 17 (1998) nr. 6, november-december, pp. 23-55.
Heerding, A., Cement in Nederland, IJmuiden 1971.
Merciot, A., Manuel du cimentier. Recueil de renseignements pratiques,Paris 1934.
Ritter, W., Handbuch für den Zementwaren- und Kunststein-Fabrikanten, Halle/Saale 1909.
Scharroo, P.W., Cement en beton oud en nieuw. Geschiedkundig overzicht van de ontwikkeling van de betontechniek van de oudste tijden tot heden, Amsterdam 1946.
Sirag, Jzn M., Bouwmaterialen, Amsterdam 1949 (10e herziene druk) (Polytechnische bibliotheek, 57), p. 198.
Stokroos, M., Terra cotta in Nederland. Het gebruik van terra cotta en kunststeen in de 19e eeuw, Amsterdam 1985.
Van der Kloes, J.A., Onze Bouwmaterialen. Deel II: Kunststeen,Maassluis ca. 1910 (2e geheel nieuw bewerkte druk).
Wentink, H., PIE rapportenreeks, 16: Kalk & cement, Zeist 1995.
[p. 274]

illustratie

De zeskantige cementtegels met drie kleurvakken in de hal van de pastorie te Scheemda geven een groot diepte-effect (foto RACM, A.J. van der Wal, 2002)

illustratie

Vloer van groot formaat cementegels in de gang van de uit 1898 daterende boerderij Zorg en Genot, Waterhyacint 8 in Terneuzen (foto RACM, G. Barbiers, 2004)